verslavingen

Aan verslaving gaat een proces vooraf, dat wordt gekenmerkt door een viertal fasen:
Fase 1: experimenteerfase
Meestal begint het, vaak op jonge leeftijd met experimenteel gebruik: uit nieuwsgierigheid probeert men een bepaald middel uit.
Fase 2: fase van sociaal of geïntegreerd gebruik
Er worden de positieve effecten gezocht naar een middel en men weet dit in zijn leven in te passen zonder dat men er last van heeft.
Fase 3: fase van overmatig en schadelijk gebruik
Het gebruik krijgt een steeds grotere rol in het dagelijks leven. Men gebruikt niet alleen om zich lekker te voelen, maar ook om spanningen en onlust te verdrijven.
Fase 4: de verslavingsfase
In deze fase wordt vrijwel het hele leven door gebruik beheerst. Er zijn schadelijke gevolgen op lichamelijk, psychisch en sociaal gebied.

Wat is verslaving
Verslaving kan worden gezien als een chronische hersenziekte waar je van kunt herstellen maar niet van kunt genezen. Uit onderzoek blijkt dat erfelijkheid een rol speelt bij verslaving.
Een cliënt heeft geen schuld aan het feit dat hij ziek is geworden. Het is ook geen keuze dat iemand met mate een middel gebruikt aangezien wetenschappelijk steeds meer wordt aangetoond dat biologische oorzaken aanwezig zijn voor deze mateloosheid. Iemand die verslaafd is kan verantwoordelijk nemen voor zijn verslaving door te accepteren dat verslaving een hersenziekte is en hiervoor hulp te zoeken.

Wat is afhankelijkheid
Het begrip verslaving wordt in verband gebracht met het begrip afhankelijkheid van een middel en staat beschreven in de DSMIV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders). Dit is een vanuit Amerika ontwikkeld handboek voor diagnose en statistiek van psychische aandoeningen die in Nederland ook wordt gehanteerd. Voor de diagnose afhankelijkheid moeten tenminste drie van de volgende kenmerken aanwezig zijn die zich gedurende een periode van 12 maanden of langer voordoen:

  1. Tolerantie, de behoefte aan een duidelijk toenemende hoeveelheid een middel om het gewenste effect te bereiken en/ of een duidelijk verminderd effect bij dezelfde hoeveelheid
  2. Onthouding, de aanwezigheid van onthoudingsverschijnselen(bijv. misselijkheid, transpireren, prikkelbaarheid, trillen, angst) en/of gebruik van middelen om de onthoudingsverschijnselen te verlichten of te vermijden.
  3. Het middel wordt vaak in grotere hoeveelheden of gedurende langere tijd gebruikt dan het plan was;
  4. Er bestaat een aanhoudende wens of er zijn weinig succesvolle pogingen om het gebruik te verminderen, in de hand te houden of te staken;
  5. Een groot deel van de tijd gaat op aan activiteiten om aan een middel te komen of aan herstel van de effecten;
  6. Belangrijke sociale of beroepsmatige bezigheden of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd vanwege het gebruik van een middel;
  7. Het gebruik van een middel wordt voortgezet, ondanks de wetenschap dat er een hardnekkig of terugkerend lichamelijk, psychisch of sociaal probleem is dat waarschijnlijk veroorzaakt of verergerd wordt door een middel.

Er is sprake van lichamelijke afhankelijkheid wanneer je lichamelijke klachten krijgt bij het stoppen van een middel. Geestelijke afhankelijkheid is het verlangen naar een middel zoals zucht (craving).

Verschijnselen die op treden bij een verslaving:

Psychisch
Er bestaat een onweerstaanbare behoefte aan het middel (hunkering of zucht). Men heeft het gevoel dat men het middel nodig heeft en verlangt terug naar het effect. Men is in denken en doen continu bezig met het middel. Tegelijkertijd wordt het overmatige gebruik nogal eens ontkend en verheimelijkt. Naast deze directe verschijnselen gaat verslaving regelmatig gepaard met symptomen als angst, depressie en verwardheid. Steeds sterker naar een middel verlangen en zich eigenlijk niet meer prettig kan voelen zonder, wijst op het bestaan geestelijke afhankelijkheid.

Lichamelijk
De gebruiker kan tolerantie ontwikkelen ten opzichte van het middel. Dit betekent dat men steeds meer nodig heeft om eenzelfde effect te bereiken. Het lichaam kan zo gewend raken aan het regelmatige gebruik dat het niet meer zonder kan. Bij staken van het middel ontstaan onaangename onthoudings- of ontwenningsverschijnselen: trillen, transpireren, misselijkheid, spierpijn, angst, prikkelbaarheid en rusteloosheid. Deze verschijnselen verdwijnen als opnieuw gebruikt wordt. Onttrekkingsverschijnselen wijzen op het op het bestaan van een zogenaamde lichamelijke afhankelijkheid. Tolerantie en onthoudingsverschijnselen treden met name op bij overmatig gebruik van alcohol en opiaten. Het willen vermijden van die verschijnselen vormt vaak een belangrijke reden om met het gebruik door te gaan

Sociaal
Omdat de gebruiker niet meer goed functioneert, kunnen problemen met de omgeving (partner, gezin, familie en vrienden) en op het werk ontstaan. Aan de ene kant beperkt de gebruiker zijn bestaan steeds meer tot die personen en die situaties die direct te maken hebben met het verkrijgen van het middel; aan de andere kant nemen mensen uit de omgeving vaak veroordelend afstand van de gebruiker.